Geloof en vruchten (ds. W. Pieters, Garderen)

Stel dat ik werkelijk het toevluchtnemend geloof zou mogen hebben ontvangen, wat ik soms hoop of mag geloven – hoe vaak ook weer betwijfeld –, dan zou ik toch goede werken moeten doen (uit dankbaarheid, niet als verdienste), heiligmaking, zondedoding en een
afsterven van de oude mens moeten kennen?


Zo luidt een vraag van een lezer.

Er zijn twee dingen: toevluchtnemend geloof en goede werken. In de eerste plaats moeten we nadenken over de uitdrukking toevluchtnemend geloof. Wat wordt daarmee bedoeld? Vaak wordt het gesteld tegenover verzekerd geloof. De Bijbel doet dat niet; daarin staan deze twee woorden en zaken naast elkaar en worden ze door elkaar heen gebruikt. In het Oude Testament vinden we twee woorden voor het geloof: betrouwen en vertrouwen. Het Hebreeuwse woord dat door onze statenvertalers meestal is overgezet met ‘betrouwen’ wordt soms ook vertaald met ‘toevlucht nemen’. We vinden dat in Psalm 118 vers 8 en 9: “Het is beter tot de HEERE toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen. Het is beter tot de HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.” Hetzelfde woord vinden we ook in Psalm 2 vers 12: “Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen.” Dit woord betekent: veiligheid zoeken bij God, vluchten tot Hem.

Het andere Hebreeuwse woord wordt meestal overgezet met ‘vertrouwen’ en betekent: schuilplaats vinden, veiligheid hebben. Het één volgt dus op het ander en het ander gaat aan het één vooraf: betrouwen gaat aan vertrouwen vooraf: toevlucht némen gaat aan toevlucht vínden vooraf. Toch schrijft de Heilige Geest in Psalm 2, dat zij die toevlucht nemen al welgelukzalig zijn. Dat komt omdat de eerste daad van het ware geloof rechtvaardigend van aard is en dus in het volle bezit stelt van de zaligheid.

Het tweede wat in de vraag aan de orde komt is: goede werken doen, heiligmaking, zondedoding, de afsterven van de oude mens kennen. Wat wordt hiermee bedoeld?

De roomse kerk verstaat onder ‘goede werken’, dat iemand opzienbarende of opmerkelijke dingen doet. Luther gaat daar tegenin en zegt kernachtig: een godzalige dienstmeid, die de vloer schrobt, doet meer goede werken dan een non in het klooster, die heel de dag in de Bijbel leest.

Wat zijn goede werken precies? Dat heel het leven, van huisvrouw of moeder zijn, van arbeider op de fabriek of scholier zijn, van predikant of directeur zijn in het teken staat van de gehoorzaamheid aan God. Dus heel ons doen en laten wordt dan het doen van goede werken: afstoffen, eten koken, de luiers wassen, stenen metselen, scheikunde leren, enzovoorts. Maar onder deze voorwaarde: we moeten dan al die dingen wel doen uit een waar geloof, in overeenstemming met Gods wet en alleen tot Zijn eer. Dus, is er iets wat strijdt met het geloofsvertrouwen op de Heere, of komt het niet overeen met Zijn wil en wet in Zijn Woord geopenbaard, of is het niet gericht op de verheerlijking van God, dan is het beste werk dat u doet, toch geen goed werk, maar een slecht, een zondig werk.

Hieruit volgt ook heel eenvoudig, dat Gods kinderen geen aparte goede werken hoeven te doen, maar dat zij heel de dag door ongemerkt goede werken doen! Ze kregen die wortel van het ware geloof, van waaruit ze heel hun leven wensen in te richten. Ze hebben Gods wet lief, zoals Psalm 1 vers 2 schrijft: “Zijn lust is in des HEEREN wet en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht!” En ze hebben een ernstig verlangen om God te dienen, om Hem te behagen, om Zijn eer te bedoelen, om volgens Zijn wet te leven. Hun bede is vanuit de grond van hun hart: “Laat Uw Naam geheiligd worden.”

Verder schrijft de vraagsteller het woord `heiligmaking' erbij. Dat betekent: al meer toegewijd zijn aan de Heere, al meer afgewend zijn van de wereld, al meer losgemaakt worden van de zonde. Het betekent dus: al meer lijken op Christus. Hij zegt: “Leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.” Hij heeft de zonde gehaat, de wereld verzaakt, Zichzelf verloochend. Hij heeft de wil van Zijn Vader bemind, de wet van Zijn Vader gehoorzaamd, de eer van Zijn Vader gezocht. De toewijding aan Zijn Vader was Zijn eten en drinken. Hij kende en spijs, zo zegt Hij in Johannes 4, die Zijn discipelen niet kenden, namelijk geheel en al te leven voor Zijn Vader in de hemel. Dát is heiligmaking.

Wat komt daarvan terecht? Als een kind van God, die dat ware geloof ontving en die in de beoefening van dat ware geloof toenam, zichzelf onder de loep neemt wat betreft de gezindheid van zijn hart, dan bespeurt hij twee dingen. Aan de ene kant is er een groot tekort, een schandelijk verzuim, een smartelijk gemis aan heiligmaking. Aan de andere kant is er maar één begeerte, één hartstocht: “O, dat ik U toch zal dienen, U toegewijd zal leven, U zal bedoelen, U zal gehoorzamen, U zal behagen!”

Ten slotte noemt de vraagsteller ‘zondedoding en afsterving van de oude mens’. Dit duidt aan, dat het nieuwe leven met God een leven is, niet alleen van groei in heiligmaking, in gelijkvormig worden gemaakt aan het beeld van Christus, maar dat het ook inhoudt: al meer jezelf verloochenen, al meer zonden haten en laten, al meer je boezemzonden bestrijden.

Het is in het nieuwe leven een voortdurende strijd tussen goed en kwaad. “Want het goede dat ik wil, doe ik niet”, klaagt Paulus in Romeinen 7 vers 19, “maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik.” Dit is de strijd van elke wedergeboren ziel. Wie tevreden is over zichzelf, over zijn vorderingen in heiligmaking, zijn zondedoding en afsterving van zijn oude mens, die kent weinig van het genadeleven. Wandelt die wel op de smalle weg? Is die wel een kind van God? Wie opwast in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus, die verstaat het om ontevreden te zijn over zichzelf. Naar mate er meer ontdekking komt aan zichzelf, naar die mate komt er meer groei in het geestelijke leven; en andersom. Niet een groei in tevredenheid, maar een groei in ‘alles buiten onszelf zoeken in Christus Jezus’. Des te meer heilig­making er in de ziel wordt uitgewerkt door Gods Geest, des te meer die ziel de toevlucht leert nemen tot Christus. Artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt over de ware christenen, dat zij “de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet afwijken ter rechter- of ter linkerhand en hun vlees met zijn werken kruisigen.” Maar als iemand zou denken, dat dit toch wel wat hoog is en begint te klagen: zo ken ik het niet, ik mis zoveel hiervan…, dan gaat dit artikel verder en zegt: “Maar niet zó, alsof er niet nog grote zwakheid in hen is. Maar zij strijden daartegen door de Geest, al de dagen van hun leven.” Het blijkt, dat er ook in de dagen van ds. Guido de Brès strijd en twijfel bij Gods kinderen leefde, juist aangaande het gebrek van heiligmaking. En daarom gaat hij er zo teer en liefdevol op in en schrijft direct daarna in hetzelfde artikel hóe zij dan de strijd aanbinden tegen hun overblijvende zwakheid, namelijk: “Zij nemen onophoudelijk hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus, in Wie zij vergeving van hun zonden hebben, door het geloof in Hem”. En dat is dus precies het begin van dit schrijven: een toevluchtnemend geloof. Een kenmerk van het geloof is dat het steeds weer de toevlucht neemt tot Christus. Een kenmerk van het leven in goede werken is, dat het steeds weer de toevlucht neemt tot Christus! Daarom zeggen we tegen een aangevochten ziel, die steeds met vermeerdering van schuld heeft te tobben en ook moet klagen, dat ze niet kan doen, wat ze zo begeert te doen…, dat het een teken van gezonde liefde is, om ontevreden te zijn over jezelf en tevreden over die Ander. Geve God ons zo een leven vol zelfveroordeling, dagelijks toevlucht nemend tot Christus. Toch kunnen we niet de handen in de schoot leggen en zeggen: het is toch hopeloos en daarom laat ik het er maar bij zitten. Nee, daadwerkelijk gaan we zonden bestrijden en gelegenheden tot zondigen ontwijken. Ik eindig daarom met vraag en antwoord 114 en 115 van de Heidelbergse Catechismus, waarin de behandeling van de wet des HEEREN wordt afgesloten. In vraag en antwoord 114 wordt beleden: “Kunnen degenen die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden? Neen, maar ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein begin van deze gehoorzaamheid. Maar wel zó, dat zij met een ernstig besluit niet alleen in overeenstemming met sommige, maar al de geboden Gods beginnen te leven.” En vervolgens: “Waarom laat God ons dan zo scherp de Tien Geboden prediken, als toch niemand ze in dit leven houden kan? Eerst, met als doel dat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving van onze zonden en de gerechtigheid / wetsgehoorzaamheid in Christus te zoeken. Daarna, dat wij zonder ophouden ons inspannen, en zonder ophouden God bidden om de genade van de Heilige Geest, met als doel dat wij hoe langer hoe meer volgens Gods beeld vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid (in de wet), na dit leven geraken.”

Dragen van vreemde kleding (ds. P. den Ouden, Katwijk aan Zee)

In de Katwijkse Nieuwsbrief schreef ds. P. den Ouden het volgende:

We hebben met de biddag stilgestaan bij Joël 2: ‘Verzamel het volk, heilig de gemeente.’

Nu ik langzamerhand de gemeente meer en meer leer kennen, moet ik met verdriet vaststellen dat velen een werelds leven leiden. En het ergste is dat het normaal wordt gevonden.

Joël 2 zegt: heilig de gemeente. Doe het onheilige weg. Ik heb in de preek een aantal dingen genoemd. Ik begin met de kleding.

Ik denk aan de korte rokken, niet alleen bij meisjes, maar ook zelfs bij volwassen vrouwen. Het is ronduit schaamteloos, zedeloos en goddeloos. Ik schreef in het blad Om Sions Wil hierover naar aanleiding van 1 Timotheüs 2 vers 9 (…de vrouwen in een eerbaar gewaad…):

De heidense vrouwen in Efeze (waar Timotheüs werkzaam was) liepen er oneerbaar bij. Uit teksten uit de klassieke Oudheid blijkt dat het ging om korte rokken, laag uitgesneden halzen en het benadrukken van de lichaamslijn. Paulus zegt hier: zo horen christenvrouwen en christenmeisjes zich niet te kleden. Zij horen zich eerbaar te kleden, kuis. Kleding is gegeven om te verhullen en niet om te onthullen. Zelfs voor de heidense Romeinen was eerbare kleding een aangelegen zaak. Keizer Augustus heeft er in zijn tijd zelfs wetten over uitgevaardigd.

In de zomer loopt een groot deel van de Nederlandse vrouwen er schaamteloos en zedeloos bij. Helaas is in de gereformeerde gezindte die tendens ook bespeurbaar. Zo moet een christenvrouw en een christenmeisje zich niet willen kleden. Ze heeft haar vrouwen-eer hoog te houden en niet te grabbel te gooien. De christenvrouwen en christenmeisjes in de wereldse havenstad Efeze worden door Paulus aangespoord om zich eerbaar te kleden. Daarmee gingen ze nadrukkelijk in tegen de mode die toen gangbaar was. Ze zullen toen ook wel te horen hebben gekregen: wat zien jullie er stijf en truttig uit!

Ze behoorden bij de uitzonderingen, de meerderheid kleedde zich anders. Maar dat moeten jullie niet willen, zegt Paulus. Kleed je eerbaar: bewaak je eer. Een vrouw heeft een geheim te bewaren. Dat is alleen bestemd voor de enige die ze met haar hele hart liefheeft en voor niemand anders. Een vrouw is geen hotel: toegankelijk voor (de ogen van) iedereen. Maar ze is een besloten huiskamer: bestemd voor één, namelijk die ze liefheeft. En zo dient ze zich ook te kleden. Laten de vrouwen en meisjes zich zo kleden dat ze geen aanleiding geven tot zondige en overspelige gedachten. Uiteindelijk is het niet zo belangrijk hoe de wereld over ons denkt. De vraag is: hoe denkt God over mij? Wat is het erg als we meer ons best doen om bij de wereld in de smaak te vallen dan om de Heere te behagen.

We lezen in Zefanja 1 vers 8 een ernstige waarschuwing: ‘Het zal geschieden in de dag van het slachtoffer des HEEREN, dat Ik bezoeking zal doen over allen die zich kleden met vreemde kleding.’ Een modern commentaar merkt bij deze woorden op dat de Israëlieten zich op de dezelfde wijze gingen kleden als de heidense volkeren rondom hen. ‘Vreemde kleding’ heeft hier nadrukkelijk de betekenis van ‘heidense kleding’ en staat in scherpe tegenstelling tot wat behoort bij Israël als het volk dat de Heere toebehoorde.

Dit vers is bijzonder leerzaam, omdat hieruit blijkt dat al in het Oude Testament er in de kleding al een duidelijk verschil was tussen hen die de wereld willen volgen, en degenen die de Heere wilden volgen. Er wordt soms gesteld dat in de tijd van de Bijbel alle mensen ongeveer dezelfde kleding droegen en dat er in de Bijbel geen specifieke regels voor kleding terug te vinden zijn. Zefanja 1 vers 8 en 1 Timotheüs 1 vers 9 tonen aan dat dit niet waar is. Deuteronomium 22 vers 5 spreekt ook duidelijk over vrouwenkledingstukken en mannenkledingstukken. De gedachte dat er in de Bijbel geen duidelijk onderscheid was tussen vrouwenkleding en mannenkleding, is dus niet waar. Ik haal nog een zin uit het commentaar aan: ‘In hun vreemde kleding vertoonden deze mensen hun vervreemd zijn van de zeden en de mentaliteit van het oude Israël.’ Ik herschrijf hem naar onze tijd toe: ‘In hun wereldse kleding laten christenen zien dat ze vervreemd zijn van de vreze des Heeren.’ Laat dit eens goed tot u doordringen.

Ik schrijf nog een zin over: ‘De uitwendige aanpassing verraadt een inwendige aanpassing.’ Waarom gaan mensen zich werelds kleden? Omdat hun hart al lang in de wereld zit. De manier waarop wij ons kleden, zegt veel over ons innerlijk.

Ik neem nog een laatste belangrijke zin over: ‘Het overnemen van uitwendige (wereldse) vormen kan ook een inwendige aanpassing bevorderen.’ Simpel gezegd: door je in je kleding richting de wereld aan te passen word je ook steeds wereldser in je denken en manier van leven.

Het gaat dus heen en weer: werelds denken doet werelds kleden. En werelds kleden doet werelds denken. Samenvattend: omdat je zo bent, kleed je je zo, en omgekeerd: omdat je je zo kleedt, word je zo.

Als iemand zich op een bepaalde manier kleedt, zal dat ook een bepaald soort mensen aantrekken én een bepaald soort mensen van je vervreemden. Soort zoekt nog steeds soort. Wij moeten niet zo dwaas zijn om te beweren dat het uiterlijk niets zegt over het innerlijk. Gods Woord zegt het ons anders. Het is daarom fout om te zeggen: het zit niet in de kleding. Hier zien we: God vindt dat het wel in de kleding zit. Hij neemt het dragen van wereldse kleding zelfs zo hoog op, dat Hij in Zefanja 1 vers 8 zegt dat Hij er ‘bezoeking over zal doen’, dat Hij het straffen zal. Hieruit leren we dat wereldse kleding de toorn van God opwekt en dat Hij dat zeker zal straffen. Daarom moeten we goed onthouden: ik kan door mijn kleding de toorn van God over mij afroepen.

Laten we nooit meer zeggen dat kleding maar iets middelmatigs is. De Heere hecht er grote waarde aan. Hij wil dat het onderscheid tussen degenen die Hem liefhebben, en degenen die Hem niet liefhebben, ook in het uiterlijke zichtbaar is, dus ook in de kleding. Israël was een afgezonderd volk. Aanpassen aan de wereld betekent dat we het onderscheid tussen kerk en wereld willen uitwissen. Jakobus 4 vers 4 waarschuwt daar ernstig voor: wie een vriend van de wereld wil zijn, is een vijand van God.

Ik schrijf het bovenstaande omdat ik me ertoe gedrongen voel. In een christelijke gemeente en uit liefde tot de Heere kan dit echt niet. Wat moet het Hem verdriet doen! Ik hoop dat het mag leiden tot daadwerkelijke bekering. Bekering is allereerst een zaak van het hart, maar heeft ook gevolgen voor onze kledingkast.

 

Hoe moet ik mijn gebed eindigen? (ds. W. Pieters)

Wanneer we met bidden eindigen, zijn we gewoon dat niet zonder passend slot te doen. Vaak doen we het op de volgende manier: “Om Jezus’ wil.” Wat zeggen we daarmee eigenlijk? Deze uitdrukking betekent: “De reden om mijn gebed te verhoren is: Jezus Christus en Zijn verdiensten.” Hiermee zien we dus af van al het onze, en verloochenen we onze waardigheid en goede werken. We kunnen nergens op steunen, dan alleen op het volbrachte werk van Gods Offerlam.

Wat is echter het probleem van de vraagsteller? Hij moet belijden deze Jezus niet te kennen! Dat is het probleem. Hoe moet het nu? Kun je wel eerlijk bidden, als je deze God niet kent voor eigen hart en leven? Kun je wel pleiten op het volbrachte werk van Sions betalende Borg, zolang je Hem niet hebt aangenomen in geloof? Is dan heel ons bidden niet toneelspel, schijn?

Deze vraag zal bij weinig mensen leven. Helaas beelden velen zich in, dat ze Jezus wel kennen en hebben aanvaard, zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft bekendgemaakt. Ze hebben er totaal geen erg in, dat een verstandsgeloof nog niet het hartelijke en ware geloof is. Ze weten er niets van, dat het geen alledaagse zaak is om Jezus door geloof te omhelzen.

Ook vele anderen lopen niet met deze vraag, omdat ze nooit de grond uit het gebed zijn kwijtgeraakt. En dat is toch echt noodzakelijk, willen we oprecht leren pleiten op het werk van Christus. Zeker, het werk van Gods Zoon is er en u mag er gelovig op pleiten. Maar om dat gelovig te doen is het nodig, dat we onszelf hebben leren kennen als een monster van ongerechtigheid en goddeloosheid. Zolang we dat niet hartelijk beseffen, kunnen we nooit oprecht bidden: “Om Jezus’ wil.”

Hoe is dat bij een ieder van ons? Hebt u, heb jij, heb ik al ervaren “Als ik voor U moest komen buiten Jezus om, was het radicaal verloren. Dan was ik voorzeker het voorwerp van Uw geduchte wraak”? Onze goddeloosheid in te leven hoort dus wezenlijk bij een gelovig pleiten.

De vraagsteller zit er mee. En ik hoop, dat het echt nood voor hem mag zijn, meer nog: echt schuld mag wezen. Want het is onze eigen schuld, als we Jezus nog niet kennen. Dan hebben we deze Borg en Middelaar immers afgewezen. Dan hebben we Hem nog niet nodig. Dan kunnen we nog zonder Hem verder. En dat is vreselijk. Omdat we zonder Hem verdoemd zijn. We kunnen ons ongeloof toch niet als een lot aanmerken, maar moeten toch op grond van de Schrift belijden, dat ongeloof schuld is!

Wat moeten we dan? Ophouden onszelf te handhaven, leren het te verliezen van God, onszelf voor Hem buigen. En al kennen we Hem dan niet, dan wil Hij toch bedelaars, rechteloze Adamskinderen genadig verhoren en Zijn Zoon aan zulke mensen schenken. Waarom dan gewanhoopt? Er is bij de Heere genoeg gewilligheid. En al moet u dan belijden, dat uw gebed niet recht is en dat het slot van uw gebed slechts leugen en huichelarij schijnt, toch mag u tot Hem komen, vermoeid, beladen, schuldig.

O, misschien klagen de woorden van ds. Andrew Gray u aan, die met heilige ernst toornt tegen het oppervlakkig belijdenis doen van zonden. Dan zijn we bezig te doen, wat Ananias en Saffira deden: tegen de Heilige Geest liegen, zo waarschuwt hij!

Toch is er geen enkele andere weg. Doet u dan maar het koord der veroordeling om uw ziel en belijd Hem, hoe onoprecht en ongevoelig u bent. Maar buig voor Hem en laat u door NIETS terughouden. Het zijn immers evenzovele listen van satan, die u wil doen geloven, dat u niet kunt of mag zeggen: “Om Jezus’ wil.” Hij heeft natuurlijk gelijk, ziende op uzelf. Maar nu heeft God de weg tot de troon der genade geopend voor mensen, die God niet kennen, die geen oprechte Godsvreze bij zichzelf kunnen ontdekken; die nergens achter kunnen schuilen. Mensen, die totaal verloren en dood zijn en dan mogen ze toch tot Hem naderen en vrijmoedig Hem aanroepen en zeggen: Gena, o God, gena, hoor mijn gebed!

De tollenaar wist ook niets meer, maar bidt toch: “O God, wees mij, de zondaar genadig!” En Hij werd gerechtvaardigd!

Zou u het zo op God alleen, zonder iets van uzelf, durven wagen? Zou de Heere tegenvallen? Hij mag u afwijzen! Maar zou Hij het ook doen?

Kan een bidder rekenen op verhoring? Niet als hij steunt op zijn verdiensten en waardigheid, aangezien hij geheel en al onwaardig, ja: helwaardig is. Maar toch ja, hij mag rekenen op verhoring, als hij gelovig steunt op Christus’ verdiensten en beloften (kanttekening op Johannes 14 vers 13).

 

De tijd uitkopende - ds. P. den Ouden, Katwijk aan Zee

Wat is onze tijd kostbaar. Het is levenstijd, genadetijd, zoekenstijd en vindenstijd (Psalm 32). Straks zal er geen tijd meer zijn (Openbaring 10 : 6). Nu hebben we nog de tijd. Maar wat doen we met onze tijd? Gaan we niet vaak heel gedachteloos en slordig met onze kostbare tijd om? Wat verknoeien we een tijd met allerlei waardeloze en onnodige dingen. Dat is het kenmerk van de wereld om ons heen: ze weten eigenlijk met hun tijd geen raad en moeten daarom bezig gehouden met amusement. Tijdverdrijf. Wat is dat ten diepste een goddeloos woord. Alsof we tijd over hebben!

Maar ook christenen staan aan de zonde bloot om hun tijd te verdoen met nutteloze dingen, zodat we geen, of weinig, tijd hebben voor de dingen die nuttig en nodig zijn.

Daarom worden we in Efeze 5 vermaand en opgewekt om onze tijd uit te kopen. Letterlijk staat er: uitbuiten. We moeten onze tijd uitbuiten.

Het betekent eigenlijk: opkopen, alles uit de markt nemen, de concurrent een slag voor zijn. Wie die concurrent is, is duidelijk: dat is de duivel. Hij wil graag met onze tijd aan de haal gaan. Hij wil graag beslag leggen op onze tijd. Onze tijd afhandig maken. Vullen met leegheid. Daarom zegt Paulus hier in Efeze 5 : 16: we moeten onze concurrent, de duivel, een slag voor zijn. Wij moeten onze tijd, onze kostbare tijd, uitkopen, uitbuiten. Voorkomen dat onze tijd verloren gaat. Want dat loopt er uiteindelijk op uit dat wij zelf verloren gaan. Want dat is de enige reden dat mensen verloren gaan, omdat ze hun tijd lieten verloren gaan. Daarom zit achter die woorden van Paulus in Efeze 5 : 16 een diepe ernst: wij moeten onze tijd uitkopen. We moeten veel bewuster met onze tijd omgaan. Dat heeft alles te maken met welke keuzes we maken. Als we scherp voor ogen hebben dat onze tijd kostbaar is, zal dat van invloed zijn op onze keuzes van wat we wel of niet doen. Dus niet gedachteloos van de ene dag in de andere dag leven. Laten wij ons afvragen: wat is het doel van mijn leven? Het doel van mijn huwelijk? Het doel van mijn gezin? Waar is ons hart en ons leven op gericht? Dat moet bepalend zijn voor het omgaan met onze tijd. Wat we wel doen en wat we niet doen. Daarom moet ik mijn dagen en mijn uren tellen, zegt Psalm 90. Elke dag en elk uur telt. Allereerst om de Heere te zoeken. Lezer(es): hoeveel tijd neemt u vandaag om met het Woord bezig te zijn? Om de binnenkamer op te zoeken? Als u kinderen hebt: neemt u er de tijd voor om ze iets mee te geven wat ze nodig hebben voor hun ziel en om in dit leven te staan? En hoeveel van mijn tijd ben ik op de één of andere manier nuttig voor mijn naaste? Laten we maar eerlijk zijn: wat stelt Efeze 5 : 16 mij schuldig. Wat vermors ik vaak mijn tijd. Wat leef ik vaak gedachteloos en oppervlakkig. Daarom bad Mozes: ‘Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen’. Hij bad om een wijs hart. Door God wijs gemaakt. Dat is een hart waarin Christus, de Opperste Wijsheid woont. Dan gaan we onderscheiden wat waardevol en waardeloos is. Dat is een wijsheid die richting geeft aan ons leven en dus ook aan ons omgaan met onze tijd.

Maar bij het gebed hoort ook bekering: dingen in ons leven veranderen. Denk bijvoorbeeld aan de grootste tijdverslinders: tv/dvd (dat is ongeveer hetzelfde) en internet.

Wie zijn tijd uitkoopt gaat daarin snijden. Gunt zich daar zo min mogelijk tijd voor. Omdat er betere dingen zijn. Heerlijker dingen. Dingen van meer waarde, die meer tot nut en zegen zijn.

Calvijn schrijft in zijn Institutie over het christelijk leven (boek III.7.I), en dan zegt hij: 

‘Wij zijn van God; laten we dus voor Hem leven en sterven.

Wij zijn van God; laat ons leven dus in alle opzichten op Hem gericht zijn.

Wij zijn van God; laat Zijn wijsheid en Zijn wil dus de leiding hebben bij alles wat wij doen. Wij zijn van God; laat ons leven dus in alle opzichten op Hem gericht zijn, als het enige wettige doel. Laat dit dan de eerste stap zijn, dat de mens afstand doet van zichzelf, om zo met alles wat in hem is zich toe te leggen op het volgen van de Heere’.